Een tijdje geleden was het nog omgekeerd. Toen liepen eigenaren van elektrische auto’s nog te hoop tegen het gebrek aan laadpalen in de stad. ‘Wat is dat nou voor dubbelhartig beleid?’ riepen ze. ‘Duurzaam met de mond maar in daden is er geen oplaadpaal te bekennen.’
Dat was waar. Laadpalen om een elektrische auto op te laden waren er niet. En als er al een paal voor een stekker was dan stond er altijd zo’n brutale aftandse Golf. Zo een met een matje in de nek. Diesel, ook dat nog.

Op de bon

Maar sinds kort is het andersom. De smeekbedes zijn gehoord. Golfjes worden rigoureus op de bon geslingerd en als je een stekker aan je auto hebt kun je overal en altijd je auto op een A-locatie parkeren.

Het beleid bleek nogal geschrokken van de terechtwijzing. Bovendien was de verwachting dat het elektrisch rijden een vlucht zou nemen. Elektrische auto’s zouden de straten overspoelen, met name in de stad. Met in de slipstream een groeiende horde kiezers.

Gemeenten maakten snel ruimte voor laadpalen. Op centrale, goed bereikbare plekken. Precies de plekken waar ik in mijn Golfje graag even parkeer als ik een pakje sigaretten en een kraslot wil kopen.

Kwaad bloed

Al die nieuwe laadpalen zetten kwaad bloed. Nu de duurzame burger tevreden achterover leunt is de man met de mat weer boos. Weer een nieuwe kloof in onze samenleving. ‘De stekkerloze automobilist wordt weggepest’, want hij moet ineens 100 meter lopen voor zijn kraslot.
En met die loten heeft hij ook al geen geluk.